🌳 Bouwstuk 'Drie Lichten en de Redenaar
Een bouwstuk over groepsmoraliteit en de bron van ethische handelen.
LPS Oct. '25
A∴Mr∴, A∴Bbr∴, W∴ Bbr∴,
Dit bouwstuk heb ik geschreven omdat ik op zoek was naar een reactie op iets dat er gebeurde in de loge, en ik op dat moment geen uiting aan kon geven. Ik laat de concrete voor het einde van het bouwstuk, maar bouw er eerst rustig conceptueel naartoe.
Het Boek der Heilige Wet is een van de symbolen die me geruime tijd heeft gekost om te kunnen plaatsen. Vooral omdat mijn gereformeerde achtergrond de bijbel toch als 'het woord van god' beschouwt en het waarheden bevat die 'ons mensen ondoorgrondelijk zijn'. Althans, dat is wat de dominee erover meegaf, en zeker de 12-jarige Pieter Jan zo verstond, die stelde namelijk meer 'waarom'-vragen stelde dan hij met speelgoed speelde. Het letterlijk zien van de bijbel als het woord van god, of beter gezegd, als een judeo-christelijk boek, is een van die dingen die mij lang is bijgebleven. Ook al had ik er van kinds af aan al moeite mee om het letterlijk te nemen en had ik al snel de 'plothole' van de zondeval door.
Waarom maakt God dan die boom? En waarom worden we dan gestraft voor de keuze die God ons zelf gaf? Waarom ben ik verantwoordelijk voor die keuze? Zulke vragen lieten me niet los, tot op de dag van vandaag, want nog steeds blijft dit verhaal me fascineren in de rijkdom die het biedt. Worden Adam en Eva zich hier niet juist bewust van de keuzes en verantwoordelijkheden die ze hebben? Eerst leefden ze in een door God geordende wereld, levend onder een wet waaraan niet te twijfelen viel. Maar daarna worden ze zich bewust dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hoe ze omgaan met het goede en het kwade.
Want nu, jaren later, vraag ik me af of die waarom-vragen echt theologische spitsvondigheden waren... of prille uitingen van een ontwakend geweten. Een innerlijke roep om een eerlijke samenhang, een dieper begrip. De zoektocht naar dat gevoelsmatige kloppen heeft me dan ook nooit losgelaten.
Desondanks begrijp ik goed dat je op verschillende manieren naar de bijbel kunt kijken. Voor de een is dit boek het geopenbaarde Woord, voor de ander een verzameling mythen, en voor weer een ander een teken van onderdrukking. Binnen de context van onze arbeid wil ik u echter vragen om het met mij te benaderen als iets anders: als een spiegel voor de wetten die in onszelf en onze cultuur leven.
Dus ik vraag u om de bijbel zoals we er nu over gaan spreken, te zien als een spiegel voor de wetten die in onszelf en onze cultuur leven.
Blanco boek
Al een aantal jaren speelt de discussie of er een blanco boek op de Z.K. zou moeten liggen. Dit wakkerde de zoektocht verder aan naar wat dat 'Eerste Grote Licht' voor mij zou kunnen betekenen. De wens voor een blanco boek is namelijk volkomen verklaarbaar als we het BdHW zien als een boek vol antwoorden die ons worden opgelegd. Als het, net als die dominee uit mijn jeugd, mij zou vertellen wat goed en wat fout is. Maar wat als dat de fundamentele misvatting is? Als het boek er niet ligt om ons geweten te vervangen? Maar als het er juist ligt om ons te leren de juiste vragen te stellen... en ons geweten te verlichten?
Dan wordt het BdHW net als de andere twee grote lichten, een instrument. Een gereedschap om mee te werken.
In de eerste graad reist de Kandidaat door een nog duistere wereld en weet zich daarin vergezeld door zijn Gel.. Zonder te weten waar de windrichtingen zijn, duidt de Meester vanwaar hij reist, waarlangs en waar naartoe. Om niet te verdwalen tijdens die reis, reist de Gel. mee. De Gel. leidt en geleidt, maar de Kand. zet nog steeds zelf de stappen. En in het vertrouwen dat hij in zijn geleider moet stellen, leert de kandidaat voor het eerst te vertrouwen op een richting die van buiten zijn eigen, nog beperkte, ik komt.
Deze geleider is evenwel de Meester te noemen. En de rest van de maçonnieke reis is het leren om zelf de instrumenten ter hand te nemen en te gebruiken. En bovenal: onderscheid te leren maken tussen de eigen passies en begeerten en die van het 'andere' maatgevende. Met dat 'andere maatgevende' bedoel ik geen externe- of groepsdruk, maar de stem van het ontwikkelde, ethische geweten. Zo heeft de Meester leren vertrouwen op die innerlijke leiding, en te verstaan wat die leiding hem voorhoudt.
En waar begint die reis van het leren vertrouwen? Bij dat ene, plechtige moment dat in ons aller geheugen gegrift staat. Het moment waarop de kandidaat zijn hand voor het eerst legt op de drie Grote Lichten.
Daar, in het schemerlicht doet hij een belofte. Hij verbindt zijn lot aan instrumenten waarvan hij de werking nog niet begrijpt. De Winkelhaak die zijn handelen zal normeren, de Passer die zijn passies zal begrenzen, en het BdHW.... de landkaart van de ziel.
Dit is de formele aanvaarding van de opdracht: de erkenning dat er een ‘ander maatgevend’ principe bestaat, nog voor hij het volledig kan doorgronden. Op dat moment wordt de externe leiding van de Meester symbolisch overgedragen als een innerlijke verplichting voor de Leerling zelf. De reis naar het ethische geweten is aangevangen.
Rituelen
De betekenis van ons BdHW komt misschien wel het sterkst tot uiting in onze ritualistiek. Wanneer we ons op de juiste manier tot onze rituelen verhouden, functioneren ze als een spiegel voor wie wij op dat moment zijn. De manier waarop jij of ik een ritueel op een gegeven moment interpreteert, vertelt iets over het ritueel, maar vooral over onszelf. Onze rituelen zijn dan ook niet toevallig gestoeld op de bijbelse mythe van de tempelbouw. De thema's die rondom de bouw van die tempel spelen zijn bij uitstek geschikt om het geweten te ontwikkelen. Iets dat voorheen abstract in de bijbel staat, wordt in onze rituelen en tijdens het uitspelen van de mythe heel concreet. Opeens komt tekst tot leven en wordt het een doorleefde ervaring.
Het resultaat van het doorlopen van de rite, het bijwonen van de graden en het uitvoeren van die rituelen zelf is bijzonder. Het leidt in mijn ervaring tot een ontwikkeling van het gevoel voor ethiek. Dat is niet een stel regels in je hoofd, zoals de catechismus zegt: 'wat is uw enige troost, beide in leven en sterven?'. Het geweten transformeert dan van een instrument dat slechts 'goed en kwaad' onderscheidt, naar een innerlijke kracht die aanzet tot de ethische daad. Tot een verantwoordelijkheid.
Aan welke normen voldoet dan die ethische daad? Niet aan normen die je van tevoren verzint. Maar er moet toch iets zijn dat haar definieert? Nee. Ze wordt niet langer gedefinieerd door de mores, de heersende opvatting of de impulsieve reactie van wat zogenaamd 'goed' is.
Dat ethische geweten, dat geweten dat handelt naar de hoogste wet, is het resultaat van reflectie en individualiteit. De reis van Leerling naar Meester is in mijn beleving de transformatie van een reactief, 'moreel' groepsgeweten naar een reflectief, 'ethisch' individueel geweten. Het BdHW is het instrument dat deze verandering mogelijk maakt, omdat het ons de humane wijsheid van de judeo-christelijke traditie geeft zonder ons te dwingen tot blinde theologische gehoorzaamheid. Oftewel, de maçonnieke levenskunst leert ons hoe wij zelf onze ethische verantwoordelijkheid kunnen nemen.
Ethiek
En dit is geen ethiek die door een morele interpretatie van de bijbel verkregen wordt, maar door die verhalen te zien als iets dat ons leert waarop we moeten letten. Als een landkaart die ons leert waar de wegen doodlopen, waar rovers zitten, en waar levend water te vinden is. Het is gestoeld op de wijsheid dat een nieuwe tempel niet door te moraliseren gebouwd kan worden, maar, net als in het paradijs, door in te zien dat wij zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen om ons geweten te ontwikkelen en ernaar te leren handelen. Nogmaals…
Maar wat gebeurt er als, onvermijdelijk, de 'mores' – de wet – botst met de ethische roep van het moment? De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan stelt die vraag.
De barmhartige Samaritaan
Voor velen ten overvloede, maar toch even om het in herinnering te roepen. In de parabel wordt verhaald over een man die afdaalt van Jeruzalem naar Jericho. Op zijn weg wordt hij overvallen en mishandeld. Een Leviet en een priester, zeer respectabele figuren, lopen voorbij maar helpen hem niet. Een Samaritaan, een buitenstaander, stopt, verzorgt de man, vervoert hem en brengt hem naar een herberg, waar hij de herbergier betaalt om verder voor de man te zorgen.
Maar de kern van de parabel, de vraag van het geweten, zit in de vraagstelling die op het verhaal volgt. De wetgeleerde vraagt geheel naar de logica van de wet: 'Wie is mijn naaste?'. Hij zoekt een definitie, een regel, een norm om zijn plicht te beperken. Jezus’ tegenvraag draait het om: 'Wie van deze drie is de naaste geworden...?'
Hiermee wordt de focus verlegd van een abstracte regel naar een wezenlijke daad. De rituelen oefenen ons precies in deze verschuiving: van de morele vraag 'heb ik voldaan aan de regels en verwachtingen?' naar de ethische vraag 'wat vraagt deze concrete situatie, dit aangezicht, nu van mij?'.
Laat ik het dan tot slot concreet maken. We kennen allemaal de momenten, hier in de loge, waarop een beroep wordt gedaan op onze 'mores' en tradities, bijvoorbeeld als het gaat om liefdadigheid.
Dan wordt er bijvoorbeeld gewezen op het 'doen van een gift' in de tronk, op de plicht om financieel bij te dragen. En hoe goed bedoeld ook, er schuilt een gevaar in. Op het moment dat de nadruk op de vorm en de minimale plicht komt te liggen, wordt de deugd van het geven zelf uitgehold. Het appèl is dan geen uitnodiging tot vrijgevigheid. Het is een botte herinnering aan een sociale verplichting. Het wordt een transactie, geen offer. De vraag is niet meer 'wat wil mijn hart geven?' maar 'heb ik voldaan aan de gewoonte?'
Dit, broeders, is het 'morele' groepsgeweten in actie. Het bewaakt de gewoonte, de mores, maar het kan de ethische impuls die eronder zou moeten liggen, verstikken. En dat is ook waarom een blanco boek nooit zal volstaan. Een geweten heeft geen leegte nodig, maar juist een rijke, complexe wereld van de traditie om met Wijsheid en Kracht in het leven te staan.
De houding die de Koninklijke Kunst ons wil aanleren stelt niet de vraag: 'Hoe kan ik mijn plicht jegens de ander zoveel mogelijk in banen leiden?'
Maar juist: 'Hoe ontwikkel ik in mijzelf een zodanig, dat ik altijd vrij en overvloedig kan antwoorden op het appèl van de ander, op wat er werkelijk van mij gevraagd wordt?'
Het eerste is een geweten dat de regels afvinkt, het tweede is een geweten dat een Tempel bouwt.
Achtbare Meester,
ik vertrouw erop aan uw opdracht te hebben voldaan.