Carp_Alt Het Passchen

Zie ook Carp_Alt Beelden

In het onderstaande uitgebreide stuk over 'ons paschen', wordt uitgebreid ingegaan op wat tijd, eeuwigheid en het leven en sterven zouden kunnen voorstellen. Maar het is opvallend dat in de tekst geen enkele vermelding van een hiernamaals gesteld wordt. Zogezegd lijkt het als het ware bewust ontweken te worden. Het verlegt de vraag over de eindigheid van het leven van "Wat gebeurt er met ons na de dood?" naar "Wat in ons leven is sterker dan de dood?"

Eeuwigheid is niet een oneindige hoeveelheid tijd die na het leven komt. Eeuwigheid is een kwaliteit van leven die men nu kan ervaren door zich te verbinden met tijdloze principes.

Even de kern van de tekst opgesomd:

Ons leven is eindig, maar onze invloed is dat niet. "Elke daad die verricht wordt, elk woord dat wordt gesproken, ja iedere gedachte die van ons uitgaat, leeft voort." De tijd stopt voor het individu, maar de rimpelingen van zijn of haar bestaan gaan oneindig door in de "geestelijke wereld".

Leven en Sterven: Een leven krijgt betekenis en onsterfelijke waarde als het gericht is op het creëren van iets blijvends voor anderen. De dood is hier het einde van het individu als actor, maar niet het einde van zijn of haar werk.

De tekst gebruikt ook verschillende beelden om de levenshouding te duiden:

De tweede opvatting is subtieler en wordt gepresenteerd als een "vermoeden" of "hoop", niet als een zekerheid. Het gaat over de mogelijkheid van een persoonlijk voortbestaan.

HOOFDSTUK VII - Ons Passchen Pag. 50 (is ook in het document 3_CarpAlt_MEESTER_1878 zelf te lezen)

Ons Paschen Is 't geen in het voorgaand Hoofdstuk gezegd is niet geheel onjuist, dan hebben we 't recht nu vast te stellen wat - krachtens de echt maoonnieke beginselen - het innigst wezen is van wat men noemt, de hoop der onsterfelijkheid, juister gezegd, van de overtuiging, dat het waarachtig menschenleven onvernietigbaar is. In het bezit dier overtuiging ligt het geheim van den Mr∴ Gr∴ - We betreden hier een heilig grondgebied ; met diepen ernst gaan we verder, overtuigd dat de heerlijkste vermoedens hier besproken worden. “God, deugd, onsterfelijkheid” deze drie had het rationalisme der achttiende eeuw gered uit den ondergang aller oude kerkelijke en dogmatische voorstellingen en, met ons nu onbegrijpelijke en onverklaarbare oppervlak-kigheid, gehandhaafd als 't eenige wat nog noodig was. Men nam dit drietal aan, zonder zich van 't geloof daaraan, de beteekenis daarvan, voldoende rekenschap te geven. In historische onderzoekingen verdiepen wij ons niet, maar we moeten hier wel een beschuldiging bespreken die nog heden ten dage, met betrekking tot die nieuwe Drieëenheid, tegen onze 0∴ wordt ingebracht. Onder meer wordt, door vele ontwikkelden uit de prof∴wereld, ook dit ons ten laste gelegd, dat vrijmetselarij niets meer is dan eene herleving of, liever nog, handhaving van dat oude ziellooze rationalisme dat door de ernstige wetenschap veroordeeld is. En aanleiding tot die beschuldiging gaf dan ook wel de, vroeger mogelijk gerechtvaardigde gewoonte, dat aan ieder die lid der O∴ wenschte te worden de vraag werd voorgelegd of hij geloofde in God, deugd en onsterfelijkheid. Het stellen van die vraag kan zekere beteekenis hebben, mits daarbij elke schijn van dogmatisme vermeden wordt. Wie dit drietal zonder meer ruwweg ontkent, kan geen waarachtig Vr∴ M∴ zijn. Wekt deze uitspraak bevreemding? Geenszins! Hebben we, hier, en ook in het in de Ritt∴ voor den Leerl.∴en den Metgez∴Gr∴ geschrevene, duidelijk genoeg gezegd, wat voor ons 't geloof is in den O∴ B∴ H∴d∴ H∴ - nl. de ondergrond en de beweeg kracht der zedelijke wereldorde hier is het de plaats, met een enkel woord nog toe te lichten wat het echt maç∴ begrip is van onsterfelijkheid. - Onsterfelijk, laten we ernstig nadenken ; dat wil, naar de innige beteekenis van dit woord, zeggen :niet vergankelijk, in zich zelf onvernietigbaar. Dit toegepast op het leven van den mensch beteekent dus : een menschen leven dat in zichzelf den waarborg heeft van onverderfelijkheid. - Laten we deze algemeene bepaling, wier betrekkelijke juistheid zeker niet kan ontkend worden, toepassen op de werkelijkheid, dan zal het juist begrip van onsterfelijkheid dit zijn een leven te bezitten dat in zijn wezen. onvernietigbaar is. Maar nu kan dit in een dubbel opzicht waar zijn. De waarachtige Vr∴ M.•. kan de heerlijke wetenschap opdoen: mijn leven is onvernietigbaar, want ik heb het in zichzelf eeuwige gezocht, daarvoor gewerkt, daarin geleefd. Dan wordt het nieuwe Mr∴ W∴verstaan ; dan draagt men 't bewustzijn bij zich om, dat er iets overblijft van 't geen we deden, dat niet ondergaat wat we zochten en liefhadden, wat het wezen was van ons leven, de ziel van onze ziel, de kern van ons Ik. Zoo leeft voort in zijn zoon, zijn geestelijk kind, de hervormer die nieuwebanen effende voor waarheid en licht ; de volksvriend die zijn volk heeft opgetild uit geestelijke laagheid, heeft vrijgemaakt van de banden der zinnelijkheid ; maar ook de goede moeder wier beeldtenis telkens haar kinderen toeroept : “bemint elkander”en wier nagedachtenis den zoon afhoudt van 't kwaad midden in de verleiding en de verzoeking der wereld. Maar ook andere gedachten maakt deze opvatting der onsterfelijkheid wakker. Evenmin als in de stoffelijke, gaat ook in de geestelijke wereld iets verloren. Elke daad die verricht wordt, elk woord dat wordt gesproken, ja iedere gedachte die van ons uitgaat, leeft voort in de wereld die rondom ons is en na ons heengaan nog zijn zal. Waar nu, in uren van ernstig zelfonderzoek, de overtuiging in ons leeft dat 't geen wij werkten en dachten ten zegen kan en zal zijn voor hen die met en na ons leven, daar is de heerlijkste zekerheid van onsterfelijkheid. Van de onsterfelijkheid heeft men zich allerlei voorstellingen gemaakt; maar alle vaag en zwevend. Maar de kern van deze alle is en blijft : het geloof in de onsterfelijkheid van het geestelijk leven. Geloof in een eeuwige waarde, een onvergankelijk goed. Geslachten en personen, dragers van dit hoogste leven, gaan voorbij, maar zelf is het onvernietigbaar. De wijsgeer Spinoza heeft gezegd : “eeuwig leven is alle dingen te beschouwen in het licht der eeuwigheid” en de groote theoloog Schleiermacher : “dit is het eeuwige leven : midden in het eindige één te zijn met het oneindige en eeuwig in ieder oogenblik.” Naar deze onsterfelijkheid te zoeken is mag∴ arbeid, deze te bezitten is het Mr∴ loon. Zegt niet hooghartig : deze onsterfelijkheid baat niets. Ik weet het: ze bevredigt niet alle wenschen van ons hart, ze geeft nog niet den vollen troost te midden van het lijden, maar begeerlijk is ze wel. En de Vr∴ M∴. die werkelijk den Mr∴ Gr∴ ontvangen heeft, moet deze onsterfelijkheid bemachtigen. Maar ook nog anders is 't wezen van onsterfelijk, onverderfelijk leven. Waar het blijvende, het in zichzelf schoone en goede, al de liefde, de toewijding van een menschenhart ontvangen heeft, daar wordt van zelf in dat menschenhart het voorgevoel, het zalig en heerlijk bewustzijn geboren, dat zulk een. leven niet kan ondergaan, ook persoonlijk niet. Een 1 k dat zich hier met het eeuwige innig en vast heeft verbonden, kan van dat eeuwige eens niet worden losgerukt en blijft. Waar het leven een zoeken was naar de verwezenlijking van het menschelijk Ideaal, daar wordt geen zekerheid verkregen, maar de hoop geboren, dat het goddelijk vermogen om Ik te kunnen zeggen, zich zelf bewust te zijn, den mensch nooit ontnomen zal worden. Kan de mensch hierin tot iets meer komen, dan tot een vermoeden? Zeer zeker niet. Maar wel tot een vermoeden dat de grenzen der zekerheid nadert. Intusschen, dat verontruste ons nooit. Wie werkelijk het Mr∴ W∴ leerde verstaan, wie zich zoon, geestverwant gevoelde van den waren Mr∴ het ware wezen der Vrijmij∴ gevoelt zich meer dan de wereld der voorbijgaande dingen ; van die wereld kan hij eens afscheid nemen met vreugdevolle berusting.