Alchemie - 1 - Ubermensch

Jung zag in Nietzsche een man die het Zelf (de Übermensch) ontdekte, maar erdoor werd verslonden. Is de Übermensch een doel dat het Ego moet worden zoals Nietzsche's tragische weg? Of is het een centrum waar het Ego zich toe moet verhouden?

Jung identificeert Nietzsche’s beeld van de "lelijkste mens" (ook wel de moordenaar van God) vaak met de materia vilis ook wel de waardeloze materie. Deze steen is zo lelijk omdat het alles bevat wat de christelijke cultuur heeft onderdrukt. Het bevat de driften die niet geuit mochten worden, de negatieve kijk op en afkeer van lichaam. Ook de aardse zwaarte, de moeite van het bestaan door de zonde was een beeld dat de mens neerdrukte. Geenszins een mooi mensbeeld die een nog sterkere nuance kent: de weigering nog langer het object van goddelijk medelijden te zijn. De mens moet zelf de Lapis worden, in plaats van te wachten op genade van bovenaf.

Nietzsches Übermensch wordt dan ook niet gevonden in de hemelen van God of in de spiritualiteit van de geestelijken, maar in de aardse zin- in de betekenis die verleend wordt aan het aardse bestaan. Er woont zo volgens Jung een onbekende Wijze in het lichaam, wat zijn manier is om te zeggen dat wijsheid een somatische, bijna instinctieve basis heeft, in plaats van een louter intellectuele.

De weg van verandering kent bij deze verhalende beelden een drievoudige weg van:
Kameel > Leeuw > Kind

De moord op God

Nietzsche's "Lelijkste Mens" vermoordt God omdat hij het niet kan verdragen dat God hem altijd ziet met een blik van medelijden. Voor Jung is dit de confrontatie met de schaduw. Het medelijden van God houdt de mens klein en onverlost in zijn minderwaardigheid. Door God te doden, dwingt de Lelijkste Mens (oftewel de schaduw) de mensheid om zelf verantwoordelijkheid te dragen voor de eigen transformatie.

Hier ligt de waarschuwing van Jung. Nietzsche identificeerde zijn ego met de Übermensch (Zarathustra), wat leidde tot wat Jung psychische inflatie noemde.

De relatie tussen Ego en Zelf moet er een zijn van een voortdurende dialoog (circumambulatio). Ons kind is geen 'super-ego' die regeert in de psyche, maar een staat van zijn waarin het ego niet langer vecht tegen het onbewuste, maar er als een kind mee speelt.

Mijn eigen moeite met mijn lichaam te zien als iets positief heeft een sterke parallel met mijn moeite om met indrukken van buitenaf om te gaan. 'Prikkels' zijn per definitie niet goed tenzij ik er zelf bewust voor kies om ze aan te gaan.
Daar schuilt wel een les in voor mij: in het lichaam leeft een bewustzijn dat me -letterlijk en figuurlijk- met beide benen op de grond laat staan. Een gevoel van compleetheid bekruipt me en geeft me een visie en hoop op het losweken van het bewustzijn van de geest, en laten stollen in mijn eigen grond.

Is de begrenzing van de Held een voorwaarde om de Schaduw vrijheid te geven?