Alch 3 - Ego en kind
Het Grote Werk vaak met de Separatio. Dit is de fase waarin de oorspronkelijke en ongedifferentieerde eenheid -de unio naturalis- van de psyche uiteen wordt opengebroken. Het is het moment waarop de Monade (het Ene) zich splitst in de Dyade (de Tweeheid). Zonder deze pijnlijke splijting kan er geen licht (bewustzijn) schijnen in de duisternis.
Er leeft in mij een beeld van het ego, dat als het ware een kind is. Ontstaan uit iets dat heel was. Ik weet nog dat ik als kind op een zondagochtend vroeg wakker was. In de stille woonkamer keek ik door het raam naar buiten. Het was mistig en er was niemand te vinden. Iedereen zou nog wel slapen. Zijn er andere mensen die nog slapen? Die hun leven hebben? Die niet mij zijn? De unio naturalis begint barsten te vertonen.
De ontwikkeling van het ego gebeurt door differentiatie. Door onderscheid tussen het ene en het andere. Door het inzicht dat 'ik' iemand 'anders is' ontstaat er een onderscheid in de psyche: de mogelijkheid om twee te worden. De mogelijkheid om onderscheid te maken. Het meest basale onderscheid is die tussen mij en mijn moeder en vervolgens al het andere.
Na die zondagochtend was ik ander. Ik zag opeens mijzelf. Ik kon mijzelf waarnemen in hoe ik naar school ging, hoe ik anderen ontmoette, wie mijn ouders waren. Sinds die dag herkende ik mezelf als iemand die iets deed, maar ik kon niet zeggen dat ik het was... of wel? Deze verwarring van geest werd steeds scherper.
Vaak ging ik op in de momenten, om me later te realiseren dat ik voor een tijdje iemand anders was. Ik was opeens niet meer die persoon die ik normaal gesproken was, maar iemand die reageerde en aanpaste aan anderen.
Deze gespletenheid is iets dat ik altijd heb, altijd meeneem. Een observator die waarneemt wat 'ik' doe, en een actor die doet. Dit geeft afstand, een veiligheid die gepaard gaat met een bewust ontberen. 'Ik' is twee personen, waarvan de tweede, degene die ontstond bij het zien van de mistige straat, gelooft dat hij de echte 'ik' is, totdat de beschouwer hem beschouwt.
De observator is degene die bij het kind blijft, en waarborgt dat het heel blijft. Het waarschuwt én controleert. Het regeert uit bescherming, waakt en heerst. Het beperkt uit angst om te verliezen wat waardevol is.
De actor wil handelen, ervaren en opgaan in alles. Hij pleit voor liefde, genade en zonde. Hij wil zichzelf zijn en zichzelf krachtiger maken.
Zeggen dat 'ik' beide ben is moeilijk en paradoxaal. Ik ben beide, en voel meer authentiek naar de observator. Maar de actor is net zo authentiek, een even passend deel in het geheel. Ze zijn beide gelijk, en beide voelen ze als 'heel', ook al voelt dat geheel meer dan de som der delen.
Apollinische - observator: orde, begrenzing, overzicht - zout
Dionysische - de actor: overgave, ervaring, de roes - sulfur
De Eenheid - de bemiddelaar - mercurius
De psyche heeft de neiging heeft om datgene wat niet in het ego-ideaal past, te onderdrukken. Maar wat onderdrukt is gaat niet weg en blijft in een staat van onbewust-zijn aanwezig.
Deze ongestructureerde en ongeordende materie, de chaos die zich onder het bewustzijn bevindt, komt naar voren als de Prima Materia en is een vorm van desorientatie. Een staat van niet-bewustzijn dat als basis dient voor het werk. Zonder deze chaos kan er geen orde ontstaan.
Het is niet mogelijk om vanuit chaos naar orde te komen, daarvoor moet eerst een splijting plaatsvinden. Omdat het ego, dat wat we 'ik' noemen moeilijk is om zichzelf te zien en te onderscheiden van al het andere, is er een splijting nodig. Een opdeling van wat bewust is en wat niet bewust is... maar ook van wat wel bewust is onderhevig laten zijn aan het zwaard.
Mijn 'ik' voelt als dat deel dat ik wil zijn. Dat gevormd is door de tijd en door mijn onbewuste handelen. Afgescheiden van de bron, zoals Adam en Eva afgescheiden werden van de Hof van Eden. Ze mogen niet terugkeren om weer te genieten van die eenheid, nee ze zullen in verdeeldheid moeten blijven.