LPS_Bouwstuk_Werkjaar 26
Achtbare Meester, Achtbare broeders, Waarde Broeders,
Het is nu zo'n 6 of 7 jaar geleden dat ik deze vorm van aanspreken ben gaan gebruiken, de woordjes 'achtbare broeders'. Ik heb namelijk zo'n gevoel dat broeders die de loge kennen uit hoofde van hun voorzitterschap een bepaalde aanspreekvorm verdienen. Uit respect, misschien, maar vooral uit waardering voor de verantwoordelijkheid die ze nemen.
Want ik kan me maar goed voorstellen dat je, nadat je de loge hebt mogen leiden, er hele andere processen gaande zijn. En ook dat je hele andere dingen ziet in de loge en er van je verwacht wordt dat je op een gedegen manier omgaat met precaire situaties. Dat je bovenal het belang van de loge weet te stellen boven dat van jezelf.
En het bijzondere is dat dit niet eens alleen maar iets is dat bij gewezen achtbare's het geval is. Het is van ons allemaal. Ook van mij wordt verwacht dat ik hier onderscheid tussen maak: wat is van mij, wat is van de ander, en zo bovenal wat is van de loge.
Dit is volgens mij een uitstekende taak voor de Gezel: onderscheid maken tussen wat het innerlijk vraagt en wat de buitenwereld vraagt. Die waterpas aanleggen om te zien of de horizontaal vlak is. Bij de opening van het werkjaar voert de eerste opziener dat ook symbolisch uit en legt zichzelf daarmee symbolisch de verplichting op om die horizontaal te bewaken.
Het waterpas zoekt vanzelf het horizontale door overgave aan de zwaartekracht. Zo vraagt de ontmoeting met de ander eerst om rust: het eigen verlangen tot stilstand laten komen.
Dat onderscheid maken is geen oordeel vellen. Naar mijn idee is de winkelhaak geen werktuig dat je actief aanlegt in de loge. Dat doet alleen de Meester. En in ons leven wordt die winkelhaak door de Meester aangelegd. Zodat die maat ons gegeven wordt, zodat ons geweten ons toetst. Die winkelhaak leggen we dan ook niet op iemand anders aan, en zeker niet in relatie naar andere broeders.
Aanleggen is het oordeel uitstellen en de verleiding weerstaan om het eigen gelijk te bevestigen.
In relaties betekent dat voor mij zowel openstaan als begrenzen. Luisteren naar de ander, maar de ander niet zoveel ruimte geven dat ik mezelf verlies. Want dat gebeurt mij regelmatig. Dan verlies ik mijn eigen belang uit het oog en offer ik me liever op aan dat grotere belang. En raak ik de horizontaal naar mezelf kwijt.
De waterpas meet de gemeenschappelijke grond. Waar staan wij beiden? Welk fundament dragen wij samen?
Dit is de beweging naar buiten, naar de ander toe op hetzelfde vlak._
Voor het toetsen van die relaties — van afstand en nabijheid, van verstevigen of verplaatsen, van ontvankelijkheid en overgave, van geduld en initiatief — gaat het steeds om het vinden van je eigen grond. En daarin is de relatie met de loge ook belangrijk. Want zij is een spiegel.
Eerlijkheid gebiedt me daarin te zeggen dat het 'behoren' bij de loge, of een 'plaats hebben' of hoe je het ook wilt noemen, een thema is dat de afgelopen jaren constant speelde. Tot een gebeurtenis die me liet inzien dat mijn relatie met 'hoe de loge is' - de sfeer, de houding van broeders, of het goed gaat met de loge, of het bestuur goed genoeg is - volledig afhankelijk is van wat ik op de loge projecteer. Ben ik teleurgesteld in de loge omdat ik me niet gezien voel? Welk initiatief heb ik daar zelf toe genomen en welke vraag heb ik gesteld? Communiceert de secretaris niet op de manier zoals ik wil? Hoe draag ik zelf bij aan goede communicatie? Elke opvatting, en vooral elk oordeel - zelfs de ontuigesproken 'zo is het', zegt meer over onszelf dan over de ander.
Zelf kom ik uit een plek waar ik het maar wat moeilijk vond om überhaupt de spanningen in mijzelf te observeren en laten zijn, om tot een gezonde relatie met mijzelf te komen, en dus ook met de loge. En zoals de een de vraag stelt 'wat betekent het voor mij' en de ander 'hoe doe ik dit', stel ik nu de vraag: hoe verhoud ik mij.
Het waterpas schept intimiteit, een genegenheid waarin de mens tot zichzelf kan komen om de ander te ontvangen.
Ik heb gezegd.