Alchemie - het vuur

De alchemisten waarschuwden veel meer voor een vuur dat te heet is dan voor een vuur dat te koud is.

In de spirituele alchemie kan vuur worden gezien als een houding en een kwaliteit van bewustzijn. He----
t Rosarium Philosophorum, dat Alphidius citeert, beschrijft deze specifieke hitte als volgt:

"Om datgene in vuur af te koken wat ik u zal tonen, dient men het te begraven in vochtige paardenmest; want het vuur van de wijzen is vochtig en duister, en het is warm in de tweede graad en vochtig in de eerste graad. De eigenschap van dit vuur is niet het vernietigen van de olie die de substantie is, maar het vermeerdert deze omwille van dit gematigde vocht; want alleen die hitte is gelijkmatig en gematigd, en zulk een hitte is hoogst noodzakelijk bij het voortbrengen van dat ding."

Mest

Om de psychologische realiteit van dit vuur te begrijpen, moeten we kijken naar het fysieke verschijnsel dat zij waarnamen. Fimus Equinus (paardenmest) brengt door natuurlijke fermentatie een langzame, vochtige, zachte warmte voort — een vuur zonder open vlam. Het werd ook wel Venter Equinus genoemd, oftewel de "paardenbaarmoeder".

Doordat deze baarmoeder vocht en milde warmte combineert, verzacht en rijpt zij de substantie op milde wijze, waardoor de processen van solutio en digestio kunnen plaatsvinden. De materie verandert in de zwarte massa die we kennen als de nigredo. Binnen dit vuur zijn de tria prima op subtiele wijze aanwezig: Zwavel als de latente, scheppende hitte. Kwikzilver als de vochtige dampen die opstijgen en circuleren. Zout als het aardse, ontbindende lichaam dat achterblijft.

Nigredo

De toestand van nigredo toont zich als de belichaamde conditie. Wanneer we ons in die duisternis bevinden, gegrepen door zware affecten, betekent dit simpelweg dat het scheidingswerk nog niet gerijpt is. De worstelingen en rauwe gevoelens van deze fase vormen onze prima materia. We kunnen ze niet omzeilen, omdat dit lichaam het enige vat is dat we hebben.

Het Rosarium geeft een uitdrukkelijke waarschuwing over dit stadium:

"De ontbinding (putrefactio) dient plaats te vinden met een uiterst zacht vuur van mest, warm en vochtig, en met geen enkel ander, opdat er niets moge opstijgen. Want indien er iets zou opstijgen, zou er een scheiding der delen plaatsvinden, hetgeen niet mag gebeuren totdat de man en de vrouw volmaakt verenigd zijn en de een de ander ontvangt."

De valkuil van voortijdige opstijging

Het bewaken van de grens tussen de rauwe ontbinding en de drang om "op te stijgen" is van cruciaal belang. Vaker wel dan niet betrap ik mezelf erop dat ik haastig "inzichten" destilleer uit mijn (overweldigende) gevoelens. Conclusies trekken lijkt dan zo belangrijk. Achteraf gezien waren die inzichten vaak een verdedigingsmechanisme. Ze dienden als een slimme list om te vermijden dat ik aanwezig moest blijven bij het werkelijke werk — het ongemakkelijke werk dat zich toont in de ontreddering en de stilstand van de ontbinding zelf.

Jung citeert hierover de alchemist John Pordage in zijn Verzamelde Werken deel 16 (§512):

"Gij moet deze zwartheid, of zwarte kleur, niet verachten, maar erin volharden in geduld, in lijden en in stilte, totdat haar veertig dagen van beproeving voorbij zijn... Daarom, wanneer de menselijke wil wordt opgegeven en losgelaten, en geduldig en stil wordt en als een dood niets, zal de Tinctuur alles in ons en voor ons doen en bewerken, mits wij onze gedachten, bewegingen en verbeeldingen stil kunnen houden, of kunnen nalaten en rusten. Maar hoe moeilijk, zwaar en bitter schijnt dit werk de menselijke wil toe, voordat het in deze gedaante gebracht kan worden..."

De poging om inzichten te forceren voordat de putrefactio haar werk heeft voltooid, is de verdediging van het ego tegen deze stilte. De directe impuls is om rauwe lichamelijke spanning of rouw om te zetten in keurige intellectuele concepten of spirituele overwinningen. Maar zoals het Rosarium waarschuwt: voortijdige opstijging is een illusie. Het is de scheiding van de geest van de materie voordat ze daadwerkelijk geïntegreerd zijn.

Voor mij is de zwaarste discipline het aanvaarden dat dit proces rust vereist. Wilskracht en intense fascinatie zorgen er vaak alleen maar voor dat het vat oververhit raakt en barst. Het vraagt om een organische, stille aandacht. Wanneer mijn innerlijke vuur te laag is, gebeurt er niets en stolt het leven tot stilstand. Maar wanneer het vuur te hoog wordt opgestookt door angst of ambitie, ontsnapt de geest in rook. De gulden middenweg voelt als het verzorgen van een plant: regelmatige, stille aanwezigheid.

Ik bestudeer het Rosarium Philosophorum en dit is een van de onderwerpen die mijn aandacht trok. Dit opschrijven helpt me om bewustzijn te creëren in mijn leven.

Bronnen: Engelse vertaling van Rosarium Philosophorum (Ferguson 210) – Verzamelde Werken deel 16 en 12 van C.G. Jung, Psychologie van de overdracht door C.G. Jung.